Drie vragen aan... Marjan de Gruijter

Nieuwe projectleider Kenniswerkplaats Tienplus



1. Je bent sinds 1 december 2011 de nieuwe projectleider van de Kenniswerkplaats Tienplus. Wat zijn naar jouw idee de belangrijkste resultaten van de Kenniswerkplaats tot nu toe?

‘Onze resultaten komen samen in een overkoepelend advies ‘pedagogische infrastructuur’ dat we hebben geschreven op verzoek van DMO Amsterdam. Dit advies komt uit in januari 2012. Het laat naar mijn idee zien wat het oplevert als je onderzoek, beleid, praktijk en opleidingen met elkaar in verband brengt. In het deelproject School als vindplaats hebben we meer zicht gekregen op de betrokkenheid van migrantenouders bij de school in het voortgezet onderwijs. Daarnaast stimuleren we ook de samenwerking tussen OKC en het voortgezet onderwijs. Binnen het deelproject Triple P Divers hebben we in kaart gebracht hoe het opvoedondersteuningsprogramma Triple P op een goede manier kan aansluiten bij de behoeften en vragen van migrantenouders. Daar hebben we ook een brochure over uitgebracht. Tot slot hebben we voor het deelproject Verbinding en governance praktisch in kaart gebracht hoe migrantenzelforganisaties met formele instellingen kunnen samenwerken en hoe het beleid dit kan ondersteunen.’

2. Wat zijn de plannen van de Kenniswerkplaats Tienplus voor de komende twee jaar?

‘ZonMw heeft de Kenniswerkplaats Tienplus een vervolgsubsidie gegeven voor twee jaar. DMO Amsterdam is cofinancier. De vervolgfase is vooral gericht op verspreiding, implementatie en verankering van de resultaten. Dat wil zeggen dat we ook in andere delen van Amsterdam en met nieuwe partijen willen voortbouwen op de opgedane kennis en ervaring. Het werkprincipe daarbij is ‘leren van elkaar’. Dit doen we bijvoorbeeld in de ‘OKC-estafette’: OKC’s en hun samenwerkingspartners geven hun leerervaringen weer door aan andere OKC’s en andere betrokkenen bij opvoedsteun in de stad. Vanuit de Kenniswerkplaats monitoren we deze ontwikkelingen en maken we de aldoor aangevulde opbrengsten beschikbaar voor anderen.’

3. Welke boodschap zou jij beleid en bestuur willen meegeven over het omgaan met opvoedondersteuning aan diverse doelgroepen?

‘Bij diversiteit gaat het vooral om bereik en kwaliteit van voorzieningen voor iedereen, met aandacht voor de eigen perspectieven en kracht van burgers en hun netwerken. Onderzoek naar diversiteit(sbeleid) gaat dan ook vooral over een effectieve ondersteuning daarvan en verankering in het kwaliteitsbeleid van (lokale) overheid en instellingen.’